Vreemdeling te zijn op aarde; een Bijbelse verkenning

Het probleem

Vreemdelingen zijn van alle tijden, maar tegenwoordig zijn er vreemdelingen in veel verschillende categorieën. Er bestaat dan ook veel te onderscheiden lijden dat veroorzaakt wordt, doordat mensen van elders op alle mogelijke manieren tussen de wielen raken. Er zijn asielzoekers met hun asiel­aanvraag, maar er zijn ook reguliere arbeids­migranten met hun vergunningen­problematiek. Er zijn vluchtelingen in de brede zin van het woord, statushouders, maar ook ‘niet-repatrieerbaren’, staatlozen, mensen zonder papieren; er zijn illegale werknemers, vreemdelingen met een strafrechtelijk dossier zoals drugskoeriers, maar ook mensen die zonder zich ergens schuldig aan gemaakt te hebben ‘administratief’ gehecht worden, om vervolgens weer zonder enig perspectief op straat gezet te worden. Er zijn mensen die illegaal gemaakt worden, ofwel buiten de wet geplaatst.

Voor veel mensen in de Belgische samenleving is het allemaal hetzelfde: het zijn ‘die buitenlanders’. In de discussies over een multiculturele samenleving spelen er nogal eens emoties, oordelen en meningen over migranten, die velen van hen over één kam scheren. Vreemde­ling­en worden dan neergezet als een amorfe groep, die het collectief aan te rekenen is dat ‘zij’ zich in ‘onze’ nabijheid bevindt. Het ‘wij – zij’ denken heeft post gevat. Maar het wordt tegelijkertijd ook bekritiseerd.

Context

Protestantse kerken nemen het regelmatig op voor vreemdelingen die in ons land verblijven. Zij zoeken de publieke discussie en pleiten voor nuance in het spreken over vreemdelingen. Al drie of vier decennia lang krijgen diaconieën en instellingen als de protestantse sociale centra in Antwerpen en Brussel te maken met knelsituaties waarin vreemdelingen zich bevinden. In onze samenleving wenden velen van hen zich tot kerken – zeker ook tot de protestantse kerken – in de hoop dat men daar gehoord en geholpen wordt. In kerkelijke gemeen­ten wordt gediscussieerd  over de betekenis van de komst van vluchtelingen en migranten. Dat is dan in het kader van bijvoorbeeld de effecten van mondialisering, waardoor mensen hun geboortegrond verlaten, op drift raken, aankloppen aan de poorten Europa, of over de achtergrond van de morele verontwaardiging daarover in de publieke opinie. Hoe geldig is een onderscheid tussen politieke en economische vluchtelingen? We zijn allemaal getuigen van de drama’s die zich op de Middellandse Zee afspelen, als mensen in gammele bootjes de overtocht wagen naar het Italiaanse eiland Lampedousa en daarbij verdrinken. De vluchtelingen die aanspoelen op de stranden van Europa, of ze nu gevlucht zijn voor het geweld in Syrië of ergens anders vandaan komen, maken ons iets duidelijk. Namelijk dat de stromen van mondiaal migrerende mensen  diepgaande ethische vragen oproepen. Ik denk zelf dat het nu en in de komende decennia één van de belangrijkste issues is waarop de kerk een antwoord moet hebben.

Vreemdelingen die in gesloten inrichtingen vastgehouden worden en zij die feitelijk uitgewezen worden, ondergaan een behandeling die hoort bij het sluitstuk van het Belgische vreemdelingen­beleid. ‘Inhumaan’ is dat genoemd. De kerken zijn hier – via de mensen die vrijwillig of professioneel met vreemdelingen werken – getuige van en zij hebben soms grote moeite met wat hen rond de bejegening van vreemdelingen onder ogen en ter ore komt. De oproep van kerken in Europa, bijvoor­beeld van die van de Protestantse Kerk in Nederland om tot een humanere behandeling te komen, heeft alles te maken met het mensbeeld dat ten aanzien van vreemdelingen zou moeten gelden. Het is een goede protestantse gewoonte  om ons dan eerst nader te oriënteren op de Bijbel. In de volgende exegese onderzoeken we het woord ‘vreemdeling’ in de Schrift.

Aanvaarding van het vreemdelingschap

In de Bijbel is er expliciet aandacht voor de vreemdelingen die zich in Israël ophouden. In tegen­stelling tot bijvoorbeeld de Griekse cultuur, waarin een vreemdeling niet noodzakelijk onwelwillend tegemoet getreden wordt maar waarbij de kloof tussen ‘wij en zij’ bewaard blijft, zie je dat er in de Bijbel over vreem­de­lin­gen gesproken wordt op een manier die dicht ligt bij een identi­fica­tie met het vreemde­ling­schap zelf. Het Griekse woord voor vreemde­ling, ‘xenos’, draagt enerzijds de lading van iemand die be­dreigend is, en anderzijds van iemand die exotisch en dus interes­sant is. In het Griekse denken kan een vreemdeling ­dan iemand zijn, die je bevecht, maar het kan ook een verrijking zijn wanneer je een vreemde­ling kunt uitno­digen voor een gastmaal. Maar het blijft iemand ‘van buiten’. In de discus­sies over onze al dan niet geslaagde multiculturele samenleving is dat dualisme ten aan­zien van migranten goed te herkennen: de ‘goede’ buitenlander verrijkt onze cultuur, terwijl de ‘slechte’ buiten­lander beter kan vertrekken. Beide categorieën worden beoordeeld op grond van het profijt voor ‘ons’ met betrekking tot ‘hen’ die wíj als vreemdeling aanmer­ken.

In het Hebreeuws ligt dat wezenlijk anders. In het He­breeuw­se woord voor vreem­de­ling: ‘ger’, in transcriptie aange­duid met de medeklinkers GR, klinkt de angst en het lijden als oorzaak van het vreemde­ling zijn mee. Volgens het Hebreeuwse woordenboek is een vreemde­ling iemand die zijn of haar land heeft moeten verlaten, als gevolg van oorlog of oproer, bloedschan­de, hon­gers­nood of onge­luk, en hij of zij is daarmee in de eerste plaats een kwetsbare. Precies zo herkent Israël in de vreem­de­ling die in haar midden verblijft, een bepalend element van haar eigen ge­schiede­nis: “Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.” (Leviti­cus 19: 34), en: “Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte.” (Deuteronomium 10: 19).

Uitgaande beweging en economische vluchtelingen

Het vreemdeling zijn in Egypte met zijn slavernij, en later het banneling zijn in Babel met zijn rechteloosheid, is een grondmotief in de Bijbel. Maar zelfs daaraan vooraf­gaand, ligt een nog fun­damen­teler besef van ontworteld zijn. De geschiedenis van de aartsvaders van Israël be­gint met Abram die alles wat vastligt in zijn leven en wat hem vertrouwd is, achter zich laat: “De Heer zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.’” (Genesis 12: 1). “Mijn vader was een zwer­vende Ara­meeër” (Deuteronomium 26: 5), herinnert Israël zich. Dat is een bestaan dat van plaats naar plaats voert en risico’s met zich mee­brengt. Vreemdeling worden is een waag­stuk dat erkenning zoekt voor de onrust om geen vrede te vinden in het bestaan­de. Maar dat bete­kent tegelij­ker­tijd een con­fron­tatie met de zelfkant van een gesettelde samen­leving. Abram wordt eco­nomisch vluchteling: “Eens brak er in het land hongersnood uit. Abram trok naar Egypte om daar tijdelijk te gaan wonen, want de hongersnood was zeer zwaar.” (Genesis 12: 10). Na de hongersnood is Abram – inmiddels Abraham geheten – terugge­keerd naar Kanaän, om daar, opnieuw als vreemde­ling, te ver­blijven. Wanneer zijn vrouw Sara sterft moet hij vragen om een plek om haar te mogen begraven: “Nadat Abraham bij haar gerouwd had en haar had beweend, stond hij op, verliet de tent waarin zijn overleden vrouw lag en wendde zich tot de Hethieten. Hij zei: ‘Ik woon maar als vreemdeling bij u. Geeft u mij hier een eigen graf, dan kan ik mijn overleden vrouw uitdragen en begraven’.” (Genesis 23: 2b – 4).

Ook Mozes wordt eerst een vluchteling in het land Midian alvorens hij het volk van Israël, dat in zijn dagen een slavenvolk in Egypte is, zal uitleiden. De naam die Mozes aan zijn in den vreemde geboren zoon geeft, is gebouwd met de medeklinkers GR (vreemdeling): “… en Mozes noemde hem Gersom, ‘want,’ zei hij: ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken’.” (Exodus 2: 22).

Verankerd in het recht

Wanneer het volk van Israël, na 40 jaar zwerven door de woestijn, – en terugverlangen naar de vleespotten van Egypte overigens -, aan de rand staat van het land waarin ze zelf een samen­le­ving zal opbouwen, worden de toekomstige vreemdelingen opgeno­men in haar consti­tu­tie. Bijvoorbeeld in de Tien Geboden: “…de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de Heer, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en doch­ters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen.” (Exodus 20: 10). Of: “De volgende bepaling blijft voor jullie altijd van kracht: De tiende dag van de zevende maand moeten jullie in onthouding doorbrengen en je mag geen enkele bezigheid verrichten, geboren Israëlieten evenmin als de vreemdelingen die bij jullie wonen.” (Leviti­cus 16: 29). Of: “Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen. En wanneer je bij de wijnoogst druiven plukt, loop dan niet alles nog eens na en raap niet bijeen wat op de grond is gevallen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de Heer, jullie God.” (Leviticus 19: 9-11). Een tekstgedeelte met een soortgelijke opdracht met het oog op de ‘vreemdelingen, weduwen en wezen’ is Deuteronomium 24: 19-22: “Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. En wanneer u bij de olijvenoogst tegen de takken slaat, mag u achteraf niet nagaan of u wel alles hebt. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. En wanneer u bij de wijnoogst druiven plukt, mag u niet alles nog eens nalopen. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen.” Deze manier van doen kennen we vervolgens uit het boek Ruth waar de Israëliet Boaz dit voorschrift ook in praktijk brengt:  “Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waaraan heb ik het te danken dat u zo goed voor mij bent, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben?’”  (Ruth 2: 8-10). “De Heer beschermt de vreemdelingen, wezen en weduwen steunt hij” zingt Psalm 146 in vers 9.

De arme, de vreemdeling, de weduwe en de wees, krijgen een expliciet wettelijke bescher­ming. Dat kun je niet opvatten als vrijblijvende liefdadigheid, maar daarin breekt het besef door dat humanitaire noden boven de logica van het ‘mijn en dijn’ uitgaan. De kwali­teit van de samen­leving wordt afgemeten aan het lot van de zwaksten. Het ­gaat hier ook niet om een set van nieuwe, nu andere regelgeving op zich. Want deze regels worden beargumenteerd vanuit een beloftevol perspectief: het gezegende, te’recht’ gebrachte leven laat zien dat ‘geven’ betekent dat men – terugredenerend – ten overvloede hééft: “Elk derde jaar moet u het tiende deel van de opbrengst in zijn geheel afstaan en het opslaan in de stad. De Levieten, die geen grond bezitten zoals u, en de vreemdelingen, de weduwen en wezen die bij u in de stad wonen, mogen daarvan nemen, zoveel als ze nodig hebben. De Heer, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt.” (Deuterono­mium 14: 28, 29, vgl. 26:12). Dat is een soort omgekeerd creatief boekhouden, waarbij niet het eigen overleven vooropstaat – omdat het onherroepelijk ten dode voert -, maar dat van een ander – omdat het ten leven voert. “U staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen.” (Deuteronomium 30: 19, vgl. ook Deuteronomium 30: 11 – 20)

De verankering in de Tora van het recht van de zwaksten in de samenleving staat tegen­over de manier waarop er in onze westerse samenlevingen met de rechten van vluchtelin­gen wordt omgegaan. In het VN-Vluchtelingenverdrag (Genève, 1951) is vast­gelegd wie er recht heeft op bescherming en waarom. Maar in de Europese politiek – ook in de Belgische – worden vraag­stuk­ken rond vluchtelingen al lang niet meer alleen beoordeeld in termen van recht, maar vaak vooral in termen van beheers­baarheid. Het recht wordt ‘gebogen’ tot de criteria zo strak zijn gesteld dat een vooraf bepaald percentage (bijvoorbeeld 80%) vluchtelingen de selectie niet doorkomt. Dat gemarchandeer met rechten is in de Tora uit den boze; het recht van de vreemdeling en andere kwetsbaren is onver­vreemd­baar. Die expliciete verankering in het recht gaat zelfs uit boven het juridisch opeis­bare: “Gij zult het recht van vreemdelingen en wees niet buigen” staat er in de Bijbelvertaling van NBG 1951 in Deuteronomium 24 : 17. In de Nieuwe Bijbel Vertaling: “U moet het recht van vreemdelingen en wezen eerbiedigen; van weduwen mag u het overkleed niet in pand nemen. Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de Heer, uw God, u heeft bevrijd. Daarom gebied ik u zo te handelen.” (Deuterono­mium 24: 17,18).

Opgenomen in het verbond

“Hier bent u allen nu bijeen, ten overstaan van de Heer, uw God: de stamhoofden, de oudsten, de schrijvers, alle mannen, vrouwen en kinderen van Israël, en alle vreemdelingen die als houthakker of waterputter in het kamp werken – bijeen om toe te treden tot het verbond dat de Heer, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden.” (Deuteronomium 29: 9 -11). Ook de vreemdelingen zijn opgenomen in het verbond dat God sluit met Israël. Van de op­somming van groepen mensen in de bovenstaande tekst kun je zeggen dat het poogt uit te drukken dat het denken van God-uit, uitputtend inclu­sief is. Het omvat óók hen die er ‘van nature’ niet bij horen. In vergelijking met het debat rond migratie of onze multi-culturaliteit, missen we een dergelijke ‘grondwettelijke’ inclusiviteit node. In de universele verklaring van de rechten van de mens is onder artikel 23 lid 1 bepaald: “Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid”. In dit licht bestaan er dan geen economische ‘vluchtelingen’, maar hooguit migranten die in een geglobaliseerde wereld hun recht op gunstige arbeids­voor­waarden (loon) zoeken waar te maken.

De grondnotie in de Bijbel is in elk geval dat zonder die vreemde ‘ander’ als deel van ons samenleven, geen van God-uit ge­recht­vaar­digd sa­men­le­ven gedacht kan worden: “Roep dan het volk bijeen, met inbegrip van de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Laat iedereen naar de voorlezing luisteren en zo leren ontzag te tonen voor de Heer, uw God, en de wetten waarin u onderwezen bent, strikt na te leven.” (Deutero­nomium 31: 12)

Verschil tussen vreemdeling en onbekende

Behalve het woord voor vreemdeling, aangeduid met de medeklinkers GR, is er in het taalveld van het Hebreeuws nog een woord te vinden dat hier van belang is: namelijk ‘nekar’. Dat woord wordt in transcrip­tie aangeduid met de medeklinkers NKR. De betekenis van dit woord doet denken aan het Griekse ‘xenos’, behalve dat de lading uitsluitend negatief is: deze vreemdeling is een ‘onbe­ken­de’ in de zin van vijandig en bedreigend. Het is iemand waarvoor je op je hoede bent. Er wordt wel gesug­gereerd dat deze ‘onbekende’ een soort handelsreiziger of een marskramer moet zijn ge­weest. Iemand in elk geval, die niet de bescherming behoeft, die een ‘vreemdeling’ wel toekomt. In de Nieuwe Bijbel Verta­ling wordt dit woord meestal vertaald met de vrij onhan­dige term ‘buiten­lan­der’. Maar dat gebeurt niet consequent, zodat het onderscheid tussen beide woor­den verwatert en de ver­war­ring toe­neemt. Zo vinden we in die vertaling: “Voor het pesachmaal gelden deze voorschriften: Er mag geen enkele vreemdeling aan deelnemen.” (Exodus 12: 43) ‘Vreemde­ling’ staat er, maar het Hebreeuws geeft NKR. Binnen de eigen systematiek van de NBV zou hier dus ‘buitenlander’ hebben moeten staan. Terwijl naar de klankkleur van het woord ‘onbekende’ meer op zijn plaats was geweest. De ver­war­ring neemt toe wan­neer in vers 48 en 49 van het zelfde hoofd­stuk in vertaling staat: “Wil een vreemdeling die bij jullie woont het pesachmaal ter ere van de Heer bereiden, dan mag dat pas nadat hij en al zijn mannelijke familieleden besneden zijn, want alleen dan kan hij op één lijn worden gesteld met een geboren Israëliet. Maar een onbesnedene mag er niet aan deelnemen. Voor geboren Israëlieten en voor vreemdelingen geldt een en dezelfde regel.” In de verzen 48 en 49 worden in het Hebreeuws de medeklinkers GR gebruikt, zodat het hier wèl over een vreemdeling gaat. De portee van dit hoofd­stuk in Exodus is dat het criteri­um voor de toe­gang tot het Pascha ligt in de besnij­denis. En dat geldt voor de geboren Israë­liet net zo goed als voor de vreemde­ling, terwijl de ‘onbekende’ (de buitenlander) van vers 43 daar buiten blijft staan. Een vreemdeling is in die zin ook niet ‘heilig’, maar hoort wezenlijk bij het verhaal van Israël op grond van zijn poten­tieel kwetsbare positie. Dat geldt voor de ‘onbe­ken­de’ (de ‘buiten­lan­der’ van de Nieuwe Bijbel Verta­ling) uitdrukke­lijk niet. Het is op dezelfde manier ook niet de bedoeling dat een toeval­lige passant of handelsreiziger profiteert van bijvoorbeeld de kwijt­schel­ding tijdens het Jubeljaar: “Van een buitenlan­der mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt, moet u kwijtschel­den” (Deuteronomi­um 15: 3). Zie ook: “Van een buitenlander mag u wel rente heffen, maar niet van iemand uit uw eigen volk. Als u zich hieraan houdt zal de Heer, uw God, u zegenen in alles wat u onderneemt in het land dat u in bezit zult nemen.” (Deuteronomi­um 23: 21).

Vreemdeling te zijn op aarde

“Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdelingen hebben gewoond. Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft mij aan die belofte herinnerd.” (Exodus 6: 4 en 5). Het land Kanaän dat Israël gegeven wordt, is het ‘het land waarin zij als vreemdelingen hebben gewoond’. Wanneer dan later in de Tora van Israël gevraagd wordt om vreemdelingen in hun midden bescherming te bieden, is het niet alleen het ‘exodus­motief’ dat een appèl doet op medemenselijkheid. Het is ook het besef dat je in feite zelf als vreemdeling in je eigen land staat. Dat ontkracht een gevoel van supe­rioriteit, van waaruit je neerbuigend een ander tot een slachtofferschap veroordeelt, dat je zelf reeds overwonnen zou hebben. Het doet recht aan de erkenning dat iedereen op enig mo­ment ook zelf bescher­ming nodig heeft. Het betekent het einde van de superieure, auto­nome mens. Het opent de mogelijkheid een vluchteling als gelijkwaardige in de ogen te kijken. De identificatie met de vreemdeling is niet alleen dat jij beseft dat je zelf ook eens vluch­teling was (cq. had kunnen zijn), maar net zo goed dat de vreemdeling ook jou op je ‘vluchtelingenstatus’ kan aanspreken.

Het besef van vreemdeling te zijn heeft ook consequenties voor de eigendomsverhoudingen. Zie bijvoorbeeld de tekst over het Jubeljaar, waar God zegt: “Land mag nooit verkocht worden, alleen verpacht, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. In heel jullie land moet voor grond altijd het lossingsrecht blijven gelden ” (Leviticus 25: 23, 24).

In de verhouding tot het jodendom, wordt het vreemdeling zijn van christe­nen eens te meer op scherp gezet: vreemdelingen of gasten zij wij bij Israël buiten Christus om (Efeziërs 2: 19, als conclusie uit vers 12). Of: wij zijn misschien wel door Christus vreemdelingen in de niet-joodse wereld (1 Petrus 1: 1, 2: 11). Veel van het geheim van Israël met zijn God zal aan ons christenen voor­bij­gaan. Maar ons vreem­de­ling zijn op deze aarde hebben we van Israël ge­leerd: “Zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet, en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten” (Hebreeën 11: 13), of: “… u moet tijdens uw leven als vreemdeling ook ontzag voor hem (de Vader) hebben. U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht (…), maar met kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus.” (1 Petrus 1: 17 ev)

Wij zijn vreemdeling bij God; God zelf is vreemdeling

Wanneer er in de Bijbel sprake is van een steeds verder ingrijpend besef van vervreemd zijn, zo zelfs dat wij beseffen vreemdeling te zijn bij God, staat dat niet in het teken van een mys­tieke beschouwing in de zin van bijvoorbeeld een ervaring van Godverlatenheid. Het heeft daarentegen alles te maken met de proble­mati­sche kanten van inter­men­selijke verhoudingen. In het al eerder aange­haalde gedeelte rond het Jubeljaar is ons vreemdeling zijn bij God een rem op onge­breidelde verrijking en verar­ming: “Land mag nooit verkocht worden, alleen verpacht, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn”, zegt God (Leviticus 25: 23). Maar ook wanneer David zijn al te menselijke tekortschieten onder ogen wil zien, stemt het tot nadenken dat hij zich bij God juist beroept op zijn vreem­deling zijn bij Hem: “Hoor mijn gebed, Heer, luister naar mijn hulpgeroep, wees niet doof voor mijn verdriet, want een vreemdeling ben ik, bij u te gast zoals mijn voorouders waren.” (Psalm 39: 13). David beseft, met een verwijzing naar de geschie­denis van zijn vade­ren, dat, ómdat hij bij God vreemdeling en gast is, God zal horen naar zijn hulpge­roep.

Hoe fundamenteel het besef is dat de kwaliteit van het samenleven getoetst wordt aan het lot van de zwak­sten, – belichaamd in bijvoorbeeld de vreemdelingen -, zien we wan­neer God zelf in een beslis­sen­de bewe­ging vreemdeling wordt: “Talloze malen waren wij ontrouw, wij hebben tegen u gezondigd. Bron van hoop voor Israël, redder in tijden van nood, waarom bent u als een vreemdeling in dit land, als een reiziger die maar één nacht blijft?” (Jeremia 14: 7b en 8). Wanneer God er voor kiest om als vreemdeling te zijn in een wereld die zich verhard heeft, is Hij dat in de ongekende anonimiteit die hoort bij de vreemdelingenstatus. Er valt aan het aandacht schenken aan deze gemarginaliseerden in de ogen van gesettelde bewo­ners van de aarde geen eer te beha­len, zoals we later horen. In de positieve bewoordingen: “Ik was vreem­de­ling, en jullie namen mij op”, zegt Jezus (Mat­teüs 25: 35 ev.). “Wan­neer hebben wij u als vreem­de­ling gezien en opgenomen?” is de verbaasde reactie van hen die bij hun eigen weten niet Jezus, maar wel vreemdelin­gen hebben gehuis­vest. “… alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan” ant­woordt Jezus.

Onze context vandaag

Het oog en oor hebben voor de positie van vreemdelingen in onze samenleving hoort bij de identiteit van de protestantse kerken. Vreemdelingen hoeven hier niet eerst hun legaliteit te bewijzen, omdat het beroep op hun rechten á priori legitiem is. Die legitimiteit is gelegen in de oorzaken van alle moge­­lijke vormen van migratie, tot en met die van de ‘economische vluchtelingen’, name­lijk in de enorme ar­moede en onderdrukking in de wereld. De bewo­ners van de westerse wereld zullen zich­zelf voor­als­nog niet mogen beschouwen als vreemdelingen van deze wereld, zolang het besef niet door­gedron­gen is hoezeer zij zelf deel zijn van de vergelij­king. De oorzaken van de armoede en onder­drukking in andere delen van de wereld zijn immers niet denk­baar zonder de verant­woorde­lijkheid van het westen daarin te onderken­nen. Maar daarin ligt wel de uitdaging. Geen vrede hebben met dit be­staan­de máákt je dan ook tot vreemdeling. (Zie ook het refrein van lied 431 van de Gezangen voor Liturgie of lied 802 van het nieuwe Liedboek: “Here God, wij zijn vervreemden door te luisteren naar uw stem. Breng ons saam met uw ontheemden naar het nieuw Jeruzalem.”) Het onderkennen van dít vreemdeling­schap, en daar de consequentie uit trekken dat we het opnemen voor gemarginaliseerde vreemdelingen en hun rechten bevechten, is een Bijbels verstaan dat protestanten in deze tijd zoeken waar te maken.

Anne Kooi

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s