Van vaste burcht naar open ruimte

Tot geloof kun je niet verplichten. Tot religie kennelijk wel, desnoods via terreur.

Tussen deze twee zinnen ligt een wereld van verschil. Religie, in de zin van uiterlijk platform voor devotie, instituut met hiërarchie en regels, stelsel van dogma’s en moraal, handhaaft zichzelf via allerlei middelen. Via politieke macht, sociale controle, menselijke behoefte aan coherentie, existentiële angst. Deze kunnen gevoed worden door propaganda en versterkt door geweld. Subtieler wordt hierop ingespeeld via schuldinductie en zwart-witdenken: wij gelovigen tegenover zij, de ongelovigen daarbuiten. Het voelt goed om erbij te horen.

Deze analyse bedoel ik puur constaterend. Vanuit sociologische en godsdienstpsychologische interesse, zeg maar. En vanuit een dagelijkse verbazing: hoe is het mogelijk, wat er allemaal gebeurt? Niet alleen de aantrekkingskracht van IS op westerse jongeren. Religie in het algemeen verbaast mij oprecht. Waarom getroosten mensen zich zoveel moeite om zich allerlei gewone dingen te ontzeggen, hoe blijven verouderde rituelen en bijgeloof zo sterk leven? Mensen durven ver gaan. Na Verlichting en Tweede Wereldoorlog dachten velen dat God dood en religie dus achterhaald was. Begin 21ste eeuw weten wij beter. We moeten onze visie op de intrinsieke kracht van religie herzien.

Het protestantisme had “Een vaste Burcht” als lijflied. Een lied van grondlegger Maarten Luther dat met zijn militante tekst in onze tijd misschien van Facebook verwijderd zou worden wegens opruiende taal. Met die vaste burcht werd weliswaar niet het protestantisme bedoeld, maar God. Maar in de praktijk van de eeuwen na de Reformatie ontliep het elkaar niet veel. De protestantse beweging ontaardde in bolwerken van eigen gelijk die zich opsplitsten in nog meer mini-bolwerken van eigen gelijk, en dat allemaal met God en de bijbel aan hun kant. Om maar te zeggen: ook ‘wij’ hebben meegedaan aan alles wat religie is in de zin zoals ik hierboven beschreef.

Kom nu anno 2014 eens kijken in een willekeurige protestantse kerk en je treft geen bolwerk meer aan, zelfs niet in mini-formaat. We zingen veel toontjes lager. Dat klinkt trouwens veel mooier. We hebben door schade en schande weer ons basisprincipe ‘vrijheid van geweten in het licht van de bijbel’ moeten herontdekken. Een principe, deze keer niet gericht tegen anderen, maar toegepast op onszelf. We zijn niet zozeer ‘vrij’ om ons op te stellen tegenover (protesteren tegen), maar vrij om zelf vrij te zijn (pro-testare = (Lat.) getuigen vóór). De bijbel, ons lijfboek, waar we als protestanten zo aan gehecht zijn, heeft bevrijding als rode draad. Consequent is dus dat we naar die vrijheid leven en die ook aan anderen gunnen. Concreet: er is binnen het protestantisme geen leergezag, geen set regels, geen vast omschreven moraal of eenduidige opvatting over wat dan ook. Geloven is vrij en hoe je je geloof praktiseert is vrij. Gevolg: de kerken zijn open ruimtes geworden.

En die open ruimtes … lopen leeg.

Natuurlijk is kerkverlating een algemeen verschijnsel in alle denominaties in het rijke Noorden en Westen. Maar ik durf te beweren dat de Reformatie (samen met het humanisme) die tendens zelf in gang heeft gezet, door zich los te worstelen uit de bevoogding van het éne kerkinstituut, door op te komen voor vrijheid van geweten en persoonlijke invulling van geloof. Tot geloof kun je niet verplichten. Nu we het kantelpunt van de sociale controle voorbij zijn, staat niets meer in de weg om uit de kerk weg te blijven. Ouders hebben hun kinderen keuze gelaten – en zowat een hele generatie komt niet meer. Hùn kinderen horen het nog een beetje bij opa en oma. Maar dat houdt een keer op. Jeugdgroepen worden veelal te klein om nog aantrekkelijk te zijn, gemeenschappen te kleinschalig om vrijblijvend je gezicht te laten zien. We kunnen op niemand boos zijn, we hebben het zelf gezocht. Vrijheid van geloven. Waar vrijheid is, is open ruimte. Waar open ruimte is, kun je niet meer duidelijk aanwijzen of verwoorden wat je dan nog wèl gelooft.

Het vrije protestantisme verkeert in een identiteitscrisis, wordt gezegd. Daar ben ik het niet mee eens. Vrijheid is haar identiteit. En dat is niet niks. Als je naar woorden moet zoeken om te duiden waar je voor staat, betekent dat nog niet dat je nergens voor staat. Een open ruimte is geen vacuüm. Het is een ruimte waar je mag binnenkomen en waar deuren en ramen open blijven staan. Waar je rust en frisse wind mag vinden, een plek waar je met je kritische vragen en je ontmoedigde twijfels, je moeheid èn je dromen van een andere wereld terecht kunt en tot je verrassing bondgenoten kunt vinden, net als jij gesteld op hun vrijheid en daarom net als jij goede kameraden in de zoektocht naar rechtvaardig en waardevol leven, naar diepgang en nieuwe moed. Waar je verhalen kunt horen over een bevrijdende God, verhalen die je optillen uit je zorgen en vergezellen in eenzaamheid. (Ik ben ook naar woorden aan het zoeken, maar eens als ik op dreef ben …)

Mijn punt is: vrijheid van geloven is datgene waarvan we positief mogen getuigen (pro-testare). Wat we fier en dankbaar mogen koesteren. In een wereld waar op religieus gebied zoveel mis gaat, is vrijheid van geloven een kostbaar goed. Een verademing die ik niet wil missen.

Petra Schipper

One thought on “Van vaste burcht naar open ruimte

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s